zondag 20 januari 2013

Waarom kreeg ik alleen maar pilletjes en geen injecties?

De Tour de France van 1997. De voorbereiding was allesbehalve goed. Ik kwam met een hardnekkige keelontsteking en koorts terug uit de Ronde van Zwitserland. Nee, niet als wielrenner, maar als ambitieuze en hardwerkende journalist. Wat is daar mis mee? Ook al komen we in geen enkel klassement voor, ook journalisten willen altijd koste wat het kost Parijs halen.

Ik had eigenlijk helemaal niet naar Rouen, beginpunt van die Ronde, mogen vertrekken. De huisarts drong er bij terugkeer uit Zwitserland op aan om toch vooral even uit te zieken. Maar ik moest en zou meteen doorgaan naar het Nederlands kampioenschap. En mijn krant verwachtte bovendien mooie voorverhalen van me.

Dus slikte ik zoveel mogelijk pillen om de koorts te dempen en schreef paginagrote verhalen over Rabobank-troef Peter Luttenberger. Over ploegbaas Jan Raas. Over Bjarne Riis, die zijn Tourzege van het jaar ervoor een vervolg wilde geven. Over Mario Cipollini, de sprintende ijdeltuit aller ijdeltuiten. Over wat er in die tijd zoal aan dopingproducten in zwang was en wat wel en wat niet opgespoord kon worden. En over weet ik wat allemaal, het was in elk geval veel.

Nog even het Nederlands kampioenschap en op naar Rouen. Mijn maatje Johan Woldendorp vroeg nog of ik het zeker wist, want afreizen naar de Ronde van Frankrijk is een soort point of no return. Zit je er een keer in, dan is opgeven geen optie meer. Het was niet de eerste keer dat ik me niet lekker voelde. Jaren daarvoor werd ik tijdens de Tour overvallen door hardnekkige diarree, die maar niet te stoppen was. Totdat ‘ome Jean’ zich ermee ging bemoeien. ‘Kom maar even mee naar mij kamer’, zei hij indertijd, ‘dan geef ik je wel iets waar je van opknapt’.

Ome Jean was wijlen Jean Nelissen, gewaardeerd verslaggever van de NOS, een amusante causeur, die uren kon vertellen over die mooie oude tijd. Als je na een lange, zware werkdag bij hem aan tafel schoof, wist je dat de avond in gelach zou eindigen. Met verbazing keek ik die avond toe hoe hij een van zijn koffertjes opende. Het zat vol met pilletjes en drankjes. ‘Hier kan ik het hele peloton mee in koers houden, dus jou ook’, lachte hij.

Jean pakte een flesje, liet wat druppeltjes van het spul op een suikerklontje vallen en gaf het aan mij. Al een uurtje later voelde ik mij een stuk beter. Ik hoefde ook niet meer voortdurend naar de wc te rennen, als ik dat wondermiddeltje maar bleef slikken.

Johan vond mij de dagen erna een wel erg gezellige reisgenoot. Alleen was ik nogal sloom en dat was hij niet van zijn altijd hollende en vliegende, drukke collega gewend. Bovendien keek ik toch wel een beetje raar uit mijn ogen. Stiekem vroeg hij aan Jean wat zijn recept was. ‘Homeopathische druppels cocaïne’, fluisterde hij hem in het oor, ‘maar waag het niet aan Guido te vertellen’. Ik vroeg er niet eens naar, vond het best zo.



Maar in die Tour van 1997 was Jean Nelissen er voor het eerst niet meer bij. En dus moest ik op zoek naar iemand anders die mij ‘in koers’ kon houden. Dokter Nicolas Terrados, ploegarts van ONCE, leek me wel een geschikte vent. Hij wilde me ook wel helpen, schreef me een kuurtje voor. Maar ik werd alleen maar zieker en zieker. Ten einde raad zocht ik tenslotte ook Geert Leinders, de ploegarts van de Rabobank, op. Ook hij gaf me pilletjes. ‘Maar’, zei hij, ‘als die niet binnen twee dagen helpen moet u echt naar de kliniek’.

Ziek aan de Tour beginnen, geen tijd meer krijgen om te genezen, en toch maar door blijven gaan, tja, dan kun je wachten op de klap. Het laatste wat ik me van die Tour de France kan herinneren is de geweldige etappezege van Marco Pantani op Alpe d’Huez. Daarna ging letterlijk het licht uit. Ik stikte!

De EHBO was gelukkig snel ter plaatse. Ik kreeg een zuurstofmasker op mijn mond en de inderhaast opgetrommelde arts scheurde mijn hemd open. Gelukkig was het geen hartinfarct, blijkbaar was de virusinfectie op mijn luchtwegen geslagen. De helikopter bracht me met spoed naar een ziekenhuis in Geneve, waar ik nog even bij moest komen voordat ik terug naar Dordrecht kon. Daar keken de artsen elkaar hoofdschuddend aan toen ze de pillen zagen die ik van de twee Tourdokters had gekregen.

Jaren later bleek dat mijn ‘goede vriend’ Nicolas Terrados een belangrijke spil was in het Spaanse EPO-netwerk. Hij verdween zelfs in de gevangenis. En nu wordt ook Geert Leinders genoemd als de man die zijn renners aan de EPO praatte en ze ook ‘inspoot’.

Natuurlijk, we zijn nu bijna 15 jaar verder en je moet mensen kunnen vergeven. Maar het uitvallen in die Tour van 1997 is voor mij nog steeds het absolute dieptepunt van al die vele jaren dat ik heb ‘meegedaan’ aan de Ronde van Frankrijk.

‘Waarom’?, vraag ik mij anno 2013 dan ook verbolgen af, ‘waarom dokter Nicolas Terrados, waarom, waarde Geert Leinders, hebben jullie mij toen ook niet gewoon een van die injecties gegeven? Waarom werd ik met wat ‘simpele’ pilletjes het bos in gestuurd? Klassenjustitie! Hey, Terrados en Leinders, ik had in die Tour ook gewoon Parijs willen halen’!

Geen opmerkingen: